De eerste jaren.
De eerste jaren van het observatorium zijn onlosmakelijk verbonden met de figuur van professor Louis-Nicolas Vandevyver (1860-1918). Als directeur van het observatorium zorgde hij, met de beperkte middelen die hem ter beschikking stonden, voor een optimale uitbouw van het instrumentarium.
Zowel de ligging, die verre van ideaal was, als de aanwezige apparatuur (ook naar de normen van die tijd was de 23-cm telescoop geen groot instrument meer) maakten het observatorium ongeschikt voor professioneel wetenschappelijk werk. Om die reden kreeg het vooral een didactische functie : het moest de studenten vertrouwd maken met het wetenschappelijk instrumentarium en hen praktische ervaring geven in het opstellen, afregelen en gebruiken van de apparatuur zelf. Voor meer dan een didactische opdracht voor het observatorium ontbraken trouwens de middelen en het personeel.

De belangstelling van Vandevyver ging vooral uit naar de weerkunde : de eerste weerkundige waarnemingen dateren van 1907 en werden reeds in 1908 in een meteorologisch jaarboek gepubliceerd. Deze nadruk op de weerkunde betekende daarom nog niet dat de sterrenkunde verwaarloosd werd : Vandevyver nam op het observatorium de gedeeltelijke zonsverduistering van 17 april 1912 waar.

De bloeiperiode van het observatorium was echter van korte duur : in 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit, en op 18 februari 1918, toen het einde ervan in zicht was, overleed professor Vandevyver. Zonder zijn stuwende kracht zou het observatorium nooit meer de plaats krijgen die het verdiende.

Stilstand en verwaarlozing
Na de Eerste wereldoorlog werd de aandacht verlegd van de observationele naar de theoretische sterrenkunde. Daardoor werd ook de didactische rol van het observatorium gereduceerd, en aan de verdere uitbouw ervan werd minder aandacht geschonken.
In 1926 was er nog een verzoek van professor Merlin om een deel van het meteorologisch waarnemingsplatform te verhogen. Daar zou dan een spiegeltelescoop - afkomstig uit het legaat van A. Neyt uit 1894 - die tot dan toe in een van de 'salles des collections' stond, opgesteld worden. Er werd echter niet ingegaan op zijn voorstel.

Op het einde van de jaren zestig werden plannen gemaakt voor de uitbreiding van de universiteit. Toen werd besloten om o.a. het Sterrenkundig Observatorium over te brengen naar de nieuwe gebouwen op de campus van De Sterre, wat in het begin van de jaren zeventig effectief gebeurde. Een betreurenswaardig gevolg hiervan was dat het oude observatorium verwaarloosd werd. Deze leegstand was natuurlijk niet bevorderlijk voor de staat van de lokalen.

Op het einde van de jaren tachtig werd de toestand kritiek : twintig jaar leegstand had zijn tol geëist, en restauratie of renovering waren dringend nodig om het te redden. De meridiaankamertjes waren door en door verrot, plafonds begonnen in te vallen, de koepelmechaniek was dringend aan een grondige revisie toe en bepaalde onderdelen van de historische telescoop vertoonden sterke corrosie. Er moest dringend een beslissing genomen worden : afbreken of renoveren.

verder: De renovering

Dit is de hemel vanavond, bij zonsondergang. De gekleurde stippen geven aan welke planeten zichtbaar zijn als avondster. Zie onderste grafiek voor de legende van de kleuren.
Dit is de hemel vannacht om middernacht. Zie onderste grafiek voor de legende van de kleuren van de planeten.
Dit is de hemel morgenochtend, bij zonsopkomst. De gekleurde stippen geven aan welke planeten zichtbaar zijn als ochtendster. Zie onderste grafiek voor de legende van de kleuren.
Dit schema geeft aan wanneer een bepaald hemellichaam vannacht zichtbaar is. De horizontale as stelt de 24 uren in een etmaal voor, met centraal middernacht (24h). De zwarte vertikale strook geeft de nacht aan, de blauwe balken tonen wanneer de zon op is. De grijze horizontale balkjes tonen voor elk hemellichaam wanneer die boven de horizon staat en dus in principe te zien is.
Info...