De belangstelling van Vandevyver ging vooral uit naar de weerkunde : de eerste weerkundige waarnemingen dateren van 1907 en werden reeds in 1908 in een meteorologisch jaarboek gepubliceerd. Deze nadruk op de weerkunde betekende daarom nog niet dat de sterrenkunde verwaarloosd werd : Vandevyver nam op het observatorium de gedeeltelijke zonsverduistering van 17 april 1912 waar.
De bloeiperiode van het observatorium was echter van korte duur : in 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit, en op 18 februari 1918, toen het einde ervan in zicht was, overleed professor Vandevyver. Zonder zijn stuwende kracht zou het observatorium nooit meer de plaats krijgen die het verdiende.
Op het einde van de jaren zestig werden plannen gemaakt voor de uitbreiding van de universiteit. Toen werd besloten om o.a. het Sterrenkundig Observatorium over te brengen naar de nieuwe gebouwen op de campus van De Sterre, wat in het begin van de jaren zeventig effectief gebeurde. Een betreurenswaardig gevolg hiervan was dat het oude observatorium verwaarloosd werd. Deze leegstand was natuurlijk niet bevorderlijk voor de staat van de lokalen.
Op het einde van de jaren tachtig werd de toestand kritiek : twintig jaar leegstand had zijn tol geëist, en restauratie of renovering waren dringend nodig om het te redden. De meridiaankamertjes waren door en door verrot, plafonds begonnen in te vallen, de koepelmechaniek was dringend aan een grondige revisie toe en bepaalde onderdelen van de historische telescoop vertoonden sterke corrosie. Er moest dringend een beslissing genomen worden : afbreken of renoveren.
verder: De renovering