Deze toestand veranderde echter na de onafhankelijkheid van Belgie en de opkomst van de spoorwegen. De snelle verbindingen die er tussen de steden kwam maakte een vaste uurregeling noodzakelijk, en dit zorgde dan weer voor grote problemen daar iedere stad of dorp toen haar eigen lokale tijd had die zeer sterk kon afwijken van die van de naburige stad.Om hieraan een eind te maken werd de directeur van de Koninklijke Sterrenwacht te Ukkel, de Gentenaar Adolphe Quetelet, belast met het organiseren van een uniforme tijdregeling voor gans Belgie. Hij besloot om in een aantal grote steden, waaronder Gent, een klein observatorium te bouwen dat zou uitgerust worden met een meridiaankijker. Dit moest toelaten om de lokale zonnetijd nauwkeurig te bepalen; in een aantal andere minder belangrijke plaatsen zou een muurkwadrant geinstalleerd worden met een analoog doel. Voor de lokatie van de meridiaankijker te Gent werd er contact opgenomen met de Universiteit, en er werd besloten om de telescoop op te stellen in een gebouwtje boven het peristylium van de aula van de Universiteit. Het gebruik van het observatorium voor de tijdsbepaling zou echter slechts van korte duur zijn : na de invoering van de telegraaf was het veel eenvoudiger om de tijd vanuit Brussel rechtstreeks door te seinen, waardoor de observatoria hun functie verloren.
Waarschijnlijk werd het observatorium van dan af nog maar zeer sporadisch gebruikt voor een waarneming in het kader van de practica sterrenkunde. Het gebouwtje werd verwaarloosd en in 1874 eiste het stadsbestuur dat het zou afgebroken worden omdat het op instorten stond en gevaar opleverde voor de voetgangers in de Voldersstraat. Wat dan ook gebeurde; de resten ervan op het dak van het peristylium zijn nog zichtbaar vanaf de hoek Volderstraat - St.-Niklaasstraat.
verder: De erfenis van Van Monckhoven